De kluizenaar van Wellerlooi (1)

door Gerrit van der Vorst


Begin jaren dertig kwam een eindje onder het Noord-Limburgse dorp Wellerlooi een eenzame zonderling te wonen. De man trok de belangstelling van de lokale bevolking en de media. Wie was hij en waarom leefde hij zo? In mening dagblad of tijdschrift werd aandacht aan de kluizenaar van Wellerlooi en de fotogenieke grijsaard werd ook vaak gefotografeerd. Zijn persoonlijke omstandigheden en drijfveren bleven echter onduidelijk. En waar bleef hij na zijn onverwachte vertrek uit de Looierheide, met achterlating van zijn opstallen en tuin? Anno 2017 bestaat er in Wellerlooi, Well en elders nog steeds belangstelling voor de ‘grieze kèl’ (dialect voor grijze kerel), door de kinderen ook wel ‘grieze oeëme’ (grijze ome) genoemd. In deze blog-feuilleton worden de feiten nog eens op een rij gezet, gebruikmakend van eerdere publicaties, informatie op de website van het archief van Well en nieuwe informatie.

Met medewerking van vooral Jan Heyligers (archief De Loi, Wellerlooi), Peter Janssen (arcenseansichten.blogspot.nl), Michel Stevens (archief Well) en inwoners van Wellerlooi.


Foto uit: Het glazen album van Limburg – foto’s uit de jaren ’30 van Sef Derkx (2011)

In 1931 zou de zwerver zich voor het eerst vertoond hebben op de Looierheide onder Wellerlooi, op zoek naar kruiden. De ene streekbewoner bezag dat met wantrouwen – met kennis van kruiden kon je immers ook gif brouwen! – en de andere met bewondering voor zo’n kruidendokter. De man besloot om zich te vestigen op een perceel heidegrond van viereneenhalve hectare aan de rand van de Looierheide, dat hij voor bijna elf gulden kocht.

 

Foto 1

Informatie over het door Theophil Wagner gekochte perceel in de kadastrale administratie. Uit de aantekening ‘dj. 1932’ zou op te maken zijn dat Wagner het perceel in 1931 gekocht heeft van Peter Matthijs Minten uit Arcen. (Met dank aan Michel Stevens, archief Well.)

Daarmee was het wantrouwen bij de streekbewoners niet meteen verdwenen. Aanvankelijk waren schuwe, achterdochtige blikken het deel van de grieze kèl geweest, als hij inkopen deed in Wellerlooi of elders. Of – nog erger? – als hij schijnbaar doelloos rondliep op de heide of in de dorpsstraten, soms met een bijbel in zijn hand, terwijl hij niets en niemand leek te zien.

Begin 1931 is Wellerlooi met 551 inwoners een klein dorpje: de bevolking bestaat uit 300 mannen en 251 vrouwen. (Uit de Nieuwe Venlosche Courant van 14 maart 1931, gevonden via http://www.delpher.nl.)

Eind juli 1933 hoort een journalist van het socialistische dagblad Het Volk voor het eerst, in Venlo, over de man praten. Bij onderzoek vertellen kinderen in Well hem dat er inderdaad een zwerver of kluizenaar in de bossen leeft. Die slaapt ‘s nachts in een doodskist! Niemand weet hoe lang de man daar al verblijft. De journalist moet de Rijksweg Nijmegen-Venlo volgen. Voorbij Wellerlooi, even na kilometerpaal 90, loopt links van de grindweg een smal en onooglijk paadje tussen struiken en heidevelden. Dat paadje voert naar de kluizenaar.

Overzichtskaart uit 1935 van het gebied waar Theophil Wagner zich gevestigd heeft. Zijn perceel is omcirkeld. (Met dank aan Jan Heyligers, archief De Loi).

Wie over de Rijksweg loopt, kan de man in de verte op zijn land zien werken. Het paadje blijkt niet moeilijk te vinden. Na twee minuten lopen, wordt boven de takken een smal, roestig schoorsteenpijpje zichtbaar. Gemaakt van conservenblikjes? Dat pijpje steekt uit het dak van een houten huisje met een woonoppervlakte van twee bij drie meter, dat half boven de grond uitsteekt en half in een kuil ligt. Aan de west- en noordzijde is het dak bedekt met een met mos begroeide zandlaag, als bescherming tegen felle wind. De ruige grond gaat daar over in groentevelden, waar sla en bonen netjes in het gelid staan, bloembedden met viooltjes en fruitbomen. Voor de deur van het huisje, met daarin alleen het hoognodige zoals een stoel, een tafel met bankje en een fornuis, zit de kluizenaar met een bord soep op zijn knieën en een stuk wittebrood op de ruwe houten tafel. Op de verontschuldiging van de journalist, dat hij zo maar langskomt, antwoordt de man in het Duits: Niet ongelegen, niemand stoort mij in mijn eenzaamheid. Ik heb altijd tijd. Ja, dat moet ik zeggen.

De Looierheide is een groot deel van natuurgebied de Hamert, dat anno 2017 deel uitmaakt van Nationaal Park de Maasduinen. Het aanzien van het gebied is in de loop der jaren veranderd, maar het is nog steeds een prachtig landschap (www.looierheide.nl).

De stem is melodieus en zacht. Wie is deze ‘natuurlievende filosoof’? De man zet zijn bord weg, trekt zijn klompen aan en draagt een stoel aan voor de bezoeker. Doorspekt met het stopzinnetje Ja, dat moet ik zeggen stelt hij zich voor: Ik heet Theophil Wagner en kom uit Silezië, uit Breslau. In mijn jeugd was ik mijnwerker en heb ik zwaar gewerkt. Nu ben ik vijf en zeventig jaar en werk nog haast even hard. Ja, dat moet ik zeggen. Als de journalist de spreker opneemt, ziet hij een robuuste, indrukwekkende verschijning. Wagner heeft een gebruind gezicht met een zachte, merkwaardig deemoedige uitdrukking, verzorgd wit haar, een geweldige baard, en gespierde armen. Hij vervolgt: Ik heb een lang zwerversleven achter den rug, heb veel mensen gezien, goeie en minder goeie, je leert de eenzaamheid liefhebben – Ja, dat moet ik zeggen – sinds 1922 heb ik rondgezworven en dat is veel, als men te voet gaat.

Het gaat na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bijzonder slecht met Duitsland. In de periode 1922-1923, waarin Wagner is gaan zwerven ,is sprake van hyperinflatie als gevolg van afgedwongen herstelbetalingen (bron: tomchao.com).

De ‘doodskist’ blijkt een smalle, lage huifkar op vier wielen, van binnen bekleed met jute en van buiten met zeildoek. Wagner, terwijl hij het klapdeurtje van zijn rijdend bed opendoet en de wollen deken recht trekt: Neemt U me niet kwalijk, als het er daarbinnen een beetje slordig uitziet, ik heb er vanmiddag even in liggen slapen. De kluizenaar onderneemt nog steeds zwerftochten en trekt dan de kar achter zich aan, met daarin ook boeken en gereedschap. Bij terugkomst neemt hij spade en schoffel weer ter hand, om de grond verder te ontginnen en om gewas en bomen te planten: Pas als alles om mij heen vrucht draagt, ben ik tevreden. In een met stro overdekte kuil bevindt zich een put die hij zelf gegraven heeft. Trots: Hier is water voor mij en mijn planten – veel meer hebben we niet noodig om elkaar te voeden – Ja, dat moet ik zeggen.

Geïllustreerd artikel in Het volk van 31 juli 1933, waarop deze aflevering deels is gebaseerd (gevonden via http://www.delpher.nl).

Wordt vervolgd.

Reageren? Stuur Gerrit van der Vorst een e-mail: gp.vandervorst@xs4all.nl.

Advertenties

Een gedachte over “De kluizenaar van Wellerlooi (1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s